Kies een afstand waarbij je op de dag zelf lekker blijft lopen en nog keuzes overhoudt. Denk aan: tempo omlaag als het nodig is, even wachten bij een hindernis, of een extra poging doen zonder dat je meteen “leeg” bent.

Kilometers zeggen bij obstacle runs minder dan je denkt. Hindernissen verdelen je energie anders dan een gewone run: klimmen, hangen, glijden en water/modder vragen vaak vooral grip, romp en schouders. Dat voelt totaal anders dan alleen hardlopen. Als je dat meeneemt in je keuze, voorkom je dat je halverwege alleen nog op wilskracht bezig bent. Praktisch betekent het ook: schoenen die nog oké lopen als ze nat zijn, kleding die niet gaat schuren, en genoeg reserve in je onderarmen om hindernissen netjes te doen.


Wat je ook helpt: check vooraf de deelnemersinfo van de organisator. Dan hoef je op de dag zelf minder te improviseren en weet je beter hoe startvakken werken, wat je mee mag nemen en wat je kunt verwachten van het terrein. Een voorbeeld van zo’n info-pagina vind je via https://strongviking.com/.

Begin bij je doel: wil je beleven of knallen?

Als je dit scherp hebt, wordt kiezen veel makkelijker.

Ga je voor de ervaring, kies dan een afstand met speelruimte. Je kunt rustig kijken bij een hindernis, even wachten, en desnoods opnieuw proberen zonder dat je hartslag meteen door het dak gaat. Dit past vaak goed als je training wisselend is, je vooral af en toe hardloopt, of als water/hoogte/smalle klimmetjes spannend genoeg zijn dat je er tijd voor wilt nemen. Wil je vooral lekker doorlopen, denk dan ook aan de momenten waarop je stilstaat. Soms voelt een iets langere afstand juist fijner dan “zo kort mogelijk”, omdat je meer in je ritme blijft in plaats van alles op snelheid te willen doen.

Ga je voor tempo, dan past een afstand waarbij je echt moet werken vaak beter. Je vindt het oké dat het zwaar wordt en je wilt blijven doorpakken, ook als je onderarmen vol lopen of je benen gaan branden. Check bij jezelf: kun je na een rustige duurloop nog versnellen, heb je grip/trekkracht geoefend (bijvoorbeeld even hangen aan een rek), en kun je onderweg iets eten of drinken zonder gedoe met je maag. Sluit je keuze aan op je huidige grip en kracht: als dat nog in opbouw is, voelt korter met een stevig tempo voor veel mensen soepeler dan langer gaan en bij meerdere hindernissen extra tijd en energie verliezen.

De praktische check: drie vragen die je keuze sturen

In de praktijk sturen drie dingen je dag vaak het meest: hoe lang je soepel blijft bewegen, hoe je reageert op nat/koud/modder, en wat je doet als een hindernis niet lukt.

Eén: hoe lang ben je comfortabel onderweg? Niet je snelste tijd, maar het moment waarop je merkt: je voeten gaan slepen, je landt minder stabiel, je pakt grepen slordiger of je moet bij elke hindernis “even bijkomen”. Herken je dat rond ongeveer een uur, dan geeft een kortere afstand vaak meer plezier en minder gedoe achteraf.

Twee: hoe ga je om met kou, water en modder? Let op signalen: je shirt blijft nat en gaat schuren, je handen worden koud waardoor je minder grip hebt, of je schoenen worden zwaar en je gaat anders lopen. Als je hier snel klaar mee bent, is korter voor veel mensen gewoon relaxter.

Drie: wat is je plan bij hindernissen die je niet haalt? Mislukken hoort erbij. Het verschil zit in je reactie: één gecontroleerde poging en door, of meerdere pogingen achter elkaar. Als je geneigd bent te blijven vechten, kies dan een afstand waarbij je daar energie voor overhoudt, of spreek met jezelf af: na één of twee pogingen ga je door.

Deelnemersinfo: wanneer het je echt helpt (en wanneer je het kunt laten)

Deelnemersinfo is vooral handig als je minder gedoe wilt rond startvakken, spullen en terrein. Het geeft je vooraf snel inzicht in: hoe laat je start, waar je je spullen kwijt kunt, wat je mee mag nemen, en wat voor ondergrond je kunt verwachten. Heb je al vaker dit soort events gedaan en een vaste routine (droge set, sleutel-oplossing, eten/drinken), dan kun je het soms op gevoel doen. En zelfs dan geeft één snelle check vaak net wat meer rust op de dag zelf.